Serve » Specials » Nederlands bodembeleid
Wie schrijft die blijft!

Ontwikkelingen in de regels rond bodemverontreiniging

Ontwikkelingen in de regels rond bodemverontreiniging In de loop der tijd heeft het Nederlandse bodembeleid een ontwikkeling doorgemaakt van multifunctioneel saneren tot alleen het opheffen van risico's. In 1980 ontdekten we de eerste bodemverontreiniging en moest er ad-hoc bedacht worden hoe daarmee omgegaan moest worden en werd besloten om alle bodemverontreinigingen op te ruimen. In de loop der tijd is dit principe verlaten en zijn we gaan kijken naar de relatie met het gebruik van de bodem.

Interimwet bodemsanering

In 1980 werd in Lekkerkerk ontdekt dat een volledige woonwijk op sterk verontreinigde grond was gebouwd. Deze zaak kreeg onder de naam Gifschandaal Lekkerkerk veel aandacht in de media. In het hele land waren beelden te zien van graafmachines die grond rond maar ook onder de woningen weg aan het graven waren. Ook bij de Rijksoverheid werd dit ‘Gifschandaal’ opgemerkt. Vooruitlopend op de Wet Bodembescherming die in ontwikkeling was werd de Interimwet Bodemsanering opgesteld. In januari 1983 trad deze in werking. In deze wet werd geregeld hoe de bodemsaneringen geregeld moeten worden en hoe de kosten daarvan verdeeld moeten worden.

Wet bodembescherming

In 1987 trad de Wet Bodembescherming in werking. Pas in 1994 werd de saneringsregeling, die zijn oorsprong had in de Interimwet Bodemsanering, ingebouwd in de Wet Bodembescherming. De inwerkingtreding van de Wet Bodembescherming is een belangrijke mijlpaal in het Nederlands bodembeleid. Vanaf dat moment was de bescherming van de bodem wettelijk geregeld. Alle verontreinigingen die vanaf 1 januari 1987 ontstaan worden ‘nieuwe gevallen van bodemverontreiniging’ genoemd. Nieuwe gevallen moeten, ongeacht de grootte en omvang, meteen opgeruimd worden. Dit in tegenstelling tot ‘bestaande gevallen’ van vóór 1987.

Onder de Interimwet bodemsanering was het uitgangspunt multifunctioneel saneren. Na sanering moest de bodem weer geschikt zijn voor alle functies en dus helemaal schoon zijn. In de loop der tijd werd duidelijk dat een helemaal schone bodem niet haalbaar is. In 1997 kwam daarom de Beleidsvernieuwing bodemsanering (Bever) waarmee het mogelijk werd om het saneringsresultaat van bestaande gevallen van bodemverontreiniging af te laten hangen van de functie van het betreffende terrein (functioneel saneren).

Risicobenadering

Sinds de Beleidsvernieuwing bodemsanering hebben er meerdere wijzigingen in het bodembeleid plaatsgevonden waardoor voor bestaande gevallen alleen nog een sanering noodzakelijk is als er risico’s zijn. Een sanering van de bodem hoeft dan ook alleen maar zo ver te gebeuren dat de risico’s opgeheven worden. Hierbij wordt getoetst op humane, ecologische en verspreidingsrisico’s. In de periode 2010-015 zijn alle locaties waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden geïnventariseerd en onderzocht. Sinds 2015 zijn alle locaties met humane risico’s gesaneerd of beheerst. In de periode tot 2020 worden ook de verontreinigingen met ecologische of verspreidingsrisico’s gesaneerd of beheerst. Vanaf 2020 is het dan ook zo dat alleen de aanwezigheid van een bodemverontreiniging geen reden is om actie te ondernemen. Pas wanneer de kwaliteit van de bodem niet aansluit bij het (voorgenomen) gebruik van de bodem omdat daarbij risico's ontstaan, dan is er een reden om de bodemverontreiniging te saneren. Een bodemsanering moet dan ook een onderdeel zijn van het totale kostenplaatje bij de ontwikkeling op een locatie waardoor het bodemgebruik wijzigt en waardoor de risico's ontstaan. Een mogelijk probleem hierbij is dat de bodemonderzoeken zich slechts gericht hebben op een pakket chemische verontreinigingen en dat mogelijk zaken over het hoofd zijn gezien. Een bekend voorbeeld is asbest dat bij veel onderzoeken aan de aandacht is ontsnapt.

Nieuwe bodemverontreinigingen

Nieuwe bodemverontreingingen kunnen in principe niet meer ontstaan. Bij bodembedreigende activiteiten moeten bodembeschermende voorzieningen en maatregelen genomen worden om verontreiniging van de bodem te voorkomen. Een controle hierop vindt plaats door het uitvoeren van een nulsituatieonderzoek vóór aanvang van de bodembedreigende activiteiten en een eindsituatieonderzoek na het beëindigen van de activiteiten. Wanneer hierdoor wordt vastgesteld dat de bodem verontreinigd is geraakt dan bestaat op basis van de Wet bodembescherming de plicht om deze verontreiniging te saneren.
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740

Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740

Voor het uitvoeren van een milieuhygiënisch bodemonderzoek wordt in Nederland de norm NEN 5740 gebruikt. Een onderzoek dat volgens deze norm is uitgevoerd heet een verkennend bodemonderzoek. Een derge…
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB)

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB)

Om te voorkomen dat de bodem verontreinigd wordt door het gebruik of de opslag van zogenaamde bodembedreigende stoffen is het lang niet altijd nodig om een vloeistofdichte vloer aan te leggen. De Nede…
Wet- en regelgeving bodemsanering, wijzigingen per 2018

Wet- en regelgeving bodemsanering, wijzigingen per 2018

Al sinds de jaren 80 zijn we bezig met het saneren van verontreinigde bodems. Inmiddels denken we dat we alle verontreinigingen in beeld hebben. Sinds 2015 moeten alle verontreinigingen met menselijke…
Besluit Uniforme Saneringen (BUS) bij bodemsanering

Besluit Uniforme Saneringen (BUS) bij bodemsanering

Het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) zorgt er voor dat het uitvoeren van standaard bodemsaneringen op een eenvoudige en snelle wijze geregeld kan worden. In plaats van het indienen van een saneringsp…
Gepubliceerd door Serve op 15-06-2016. Het auteursrecht van deze special ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tinyfroglet / Flickr
  • http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/b
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Functioneel_saneren
Schrijf mee!